Het karkas

Druppels druipen van zijn lange haar over zijn voorhoofd. Op en naast zijn schoenen op het grijze tapijt spatten ze uiteen.
“Lekker dan! Is het augustus, word je overvallen door een dikke moesson.”
“Ook goeiemorgen. Jij loopt altijd te roepen dat ik ook ‘ns de fiets moet pakken? Moet je nou ook niet zeuren, Joost. En dan, je begint vandaag gewoon nog effe twee uurtjes later.”
De rechercheur hangt zijn druppelende jack aan de kapstok in de hoek van het kantoor en slingert zijn leren tas op het bureau.
“Marloes d’r verjaardag, moesten we toch iets speciaals voor doen. De kinderen zijn de hele dag en avond onder de pannen. Maar dank je, het was een gezellig luxe ontbijt. Koffie?”
“Och ja, gefeliciteerd nog met het vrouwtje. Doe mij maar een dubbele espresso met twee suiker.” Joost schudt medelijdend zijn hoofd terwijl hij over zijn bureau heen buigt en zijn mok en die van zijn collega bij het oor pakt. Geklop op de deur en een hoge stem.
“Meneer Machielsen?” Joost draait zijn hoofd naar de deur, twee mokken rammelend in zijn hand alsof hij geld vraagt voor zijn draaiorgel.
“Eva, goedemorgen. Wat mag het zijn?”
“Er is vanmorgen een brief binnengekomen bij bureau Noord, Michelangelolaan. Ze vragen of wij ernaar willen kijken.”
De rechercheur kijkt naar Jaspers die zich uitrekt achter zijn computer en trekt vragend zijn kin op. Hij draait zich terug naar de deur van het kantoor. “Eh … zijn wij van de postkamer? Ze hebben daar toch ook wel leren lezen hoop ik?” Dan beent hij langs Eva af de gang op.
“Het is Arabisch”, hoort hij achter zich. Hij stopt midden in de gang en draait zich om. Eva kijkt hem handenfriemelend aan.
“De brief is in het Arabisch geschreven. En de helft is niet echt leesbaar.”
“Arabisch is niet echt leesbaar, schat. Voor mij niet in ieder geval. Maar eh … bel die tolk die vorige week geholpen heeft bij dat akkefietje in het AZC. Dan kijken we wel effe.” Hij loopt verder naar de koffieautomaat. Na een paar passen houdt hij in.
“Eva, hoezo niet echt leesbaar?”
“Door de regen, de enveloppe stak half uit brievenbus.”

Jaspers hangt achterover in zijn bureaustoel, benen over elkaar, voeten op de punt van het bureau. “Moeten we dit serieus nemen, Joost?”
“Het was makkelijker geweest als we de complete tekst hadden. Maar ik heb hier niet echt een lekker gevoel bij.” Hij leest de vertaling van de halve brief nog eens hardop voor:
“Tegen de tijd dat u mijn brief heeft gevonden en gelez…
…aan mijn reis naar het paradijs. Het wachten op erken…
…mijn ziel weggevreten. Nu de dood ook…
…heeft opgeëist, is mijn leven op aarde zinloos ge…
…hemel gekust op het karkas van uw stad, ik heb…
…Allah, opdat hij mijn ziel zal reinigen. Voor het oog…
…uw vreemde kerk zult u mij vinden.
Paradijs, dood en karkas in één brief. Ik proef verbittering.”
Jaspers krabt aan zijn wang. Hij trekt zijn voeten van het bureau en buigt naar voren. “Shit zeg… Als we ervan uitgaan dat die kerel hier een aanslag wil plegen? Ik zou gaan voor het station, of het vliegveld. Maar een vreemde kerk. Het is een moslim, hij noemt Allah in die brief. Dan is een kerk al snel ‘vreemd’, niet?”
Machielsen keert zijn collega de rug toe. Met zijn handen in zijn zakken speurt hij over de kaart van Eindhoven aan de muur. “Laat iemand contact op nemen met de AIVD. Dit is denk ik meer een klusje voor hen.” Plotseling verkrampt zijn lichaam. Met een ruk draait hij om.
“Dynamo!” Hij zegt het met trillende ogen van schrik. Joost grist zijn telefoon uit zijn zak en begint als een bezetene met zijn vingers het scherm te bewerken.
“Er is vandaag een hoop gedoe op het plein bij Dynamo voor de intro’s. Begint al om tien uur,” mompelt hij ondertussen tegen zijn collega. “Op het Catherinaplein bij de kerk. Jolijn moet er ook naar toe. Godverdomme, neem dan op!” Terwijl hij met de ene hand zijn telefoon in zijn zak laat glijden en met de andere zijn jack van de kapstok rukt, blaft hij haastig naar zijn collega: “AIVD! En laat me weten wie de leiding heeft nu in de binnenstad. Ik ga er heen.” Hij stormt het kantoor uit. Op de drempel grijpt hij zich vast aan de deurpost. “En hoeveel man ze hebben”, flapt hij er gehaast uit.
“Hey, doe ‘ns effe rustig man! We weten helemaal niet wat er precies aan de hand is.”
Joost kijkt zijn collega seconden lang aan, zijn hand bevend op de deurstijl. Dan rent hij de gang op.

Studenten van de hogeschool en de TU/e hebben bezit genomen van de binnenstad. Zijn fiets heeft hij tegen de eerste de beste vrije boom op de Keizersgracht gekwakt. Hij loopt met grote passen door de Kerkstraat in de richting van het plein, een hand in zijn zak op zijn telefoon, bang als hij is een oproep te missen. Uit boxen naast het podium, dat voor de kerk is opgebouwd, worden beats over de gekleurde massa uitgespuugd. Op het podium is een blondine in een ritmische spasme verwikkeld. Enthousiast jut ze de menigte op die haar bewegingen zo goed mogelijk imiteert. De telefoon trilt onder zijn hand. Joost leest de app die Jaspers hem zojuist gestuurd heeft. Verbakel is coördinator binnenstad, unit tussen kerk en Stratums Eind tijdelijke post. Met zijn telefoon nog in zijn hand duwt de rechercheur zich voort door de menigte, voor het podium langs naar de andere kant van de Catherinakerk. De witte politie-unit staat op hoge poten met de rug naar het huis van God. Joost klopt op de zijwand en steekt zijn hoofd door het deurgat.
“Machielsen, hoe maakt u het?” vraagt een man in een lichtblauw overhemd dat zich spant om de goedgevulde buik. Joost neemt de uitgestoken hand aan.
“Meneer Verbakel, dat is een tijd geleden. Alles goed?” Zonder antwoord af te wachten gaat hij verder. “Zeg, we zitten met een dreigende situatie.”
“Die brief? De Totempaal heeft me er net persoonlijk over ingelicht.” Joost grijnst zenuwachtig bij het horen van de bijnaam van de korpschef. Hij blijft in de deuropening staan, zijn ogen vliegen heen en weer over de menigte.
“Joost, pak een stoel. Ga effe rustig zitten.” Terwijl de coördinator koffie voor hem in wit karton schenkt, vertelt hij welke informatie hij heeft gekregen en wat de opdracht is.
“Extra waakzaam zijn dus. Over een uurtje krijg ik er nog twee mannetjes bij.” De agent plukt aan zijn snor en kijkt de rechercheur afwachtend aan. “Wat zijn jouw orders?”
Joost gaat staan. Hij hangt weer tegen de deurpost en kijkt naar de menigte op het plein. “Geen idee. Mijn dochter loopt hier waarschijnlijk ergens rond. Stel dat er zo’n gek tussen loopt.”
“Het is een halve brief, Joost. Ik snap dat je je zorgen maakt, doe ik ook. Maar met alleen dit als aanleiding willen ze van hogerhand niet de hele binnenstad ontruimen. Je…”
Iets in de massa houdt zijn blik vast. Ineens is hij weg. Joost duwt zich door de massa met zijn ogen op één punt gericht. De verwijtende blikken en scheldwoorden raken hem niet.
Hij reikt naar voren. “Jolijn, Jolijn!” Een brunette met een paardenstaart en een roze polo draait zich om, haar wenkbrauwen opgetrokken van verbazing.
“Pap, wat doe jij hier?” Een groep jongens en meisjes in T-shirts van dezelfde zuurstokkleur blijft om haar heen staan.
“Eh… da’s lastig uit te leggen. Waarom neem je niet op als ik bel?”
“Dat klote-apparaat heeft vannacht weer niet goed opgeladen. Hij ligt aan de stekker bij de infostand.”
Zijn telefoon trilt in zijn zak. “Even wachten, die moet ik pakken. Machielsen… Wat? Ik versta er geen moer van!”
“Pap, mijn kuikens wachten. Ze kennen hier niks en we hebben een druk programma.”
Joost houdt zijn hand op de microfoon. “Wacht, ik…”, roept hij, maar zijn dochter lost op in de drukte. De rechercheur wringt zich terug naar de rand van het plein. “Ja, ben ik weer.”
“Tielemans heeft met de AIVD gesproken. Ze geloven niet dat er iemand iets van plan is. Terroristen sturen geen brieven van tevoren.”
“Tja…, en nou?”
“Ze laten een expert afzakken naar onder de riolen. De Totempaal heeft gezegd dat je direct terug moet komen naar het bureau.”

Een uur later stampvoet Joost het kantoor in.
“Hoe hard fiets jij tegenwoordig? Ben je nog een biertje wezen pakken op de markt of zo?”
“Een of andere klootzak heeft m’n fiets gejat”, foetert Joost. Hij houdt een hangslot met een gebroken nek omhoog. “Eersteklas baggerkwaliteit. Die vuile oplichter!”
“Wie?” vraagt Jaspers verbaasd.
“De fietsenmaker bij ons in de straat. Ik had het kunnen weten! De gladjakker met z’n vette coupe maffioso. Weet je wat dat ding gekost heeft?” vraagt hij terwijl een dikke ketting dreigend voor zijn gezicht zwaait.
Zijn collega maakt met een uitgestoken hand een stopteken en grijpt naar de rammelende telefoon.
“Jaspers.” De hand valt aarzelend op het bureau terwijl de zwaarlijvige politieman recht gaat zitten. Stilte heeft zich in de ruimte geboord. Jaspers kijkt op met een bleek gezicht. “Er is een ontploffing geweest op de markt bij de Sint Joriskerk, Strijpsestraat.” Joost wil in beweging komen.
“Nee, nee”, herpakt Jaspers zich. “Er zijn al collega’s onderweg. Die expert is ook ingelicht. We moeten alle informatie die we hebben over verdachte cellen verzamelen.” Hij tikt snelle commando’s op zijn toetsenbord, werpt een blik over zijn beeldscherm. “Kom, aan de slag. Ze houden ons op de hoogte.”

Joost drukt het telefoonnummer in van het AZC in de Oranjerie. “Ja, goedemiddag. Machielsen, politie Eindhoven. Een vraag: zijn er asielzoekers bij jullie die… tja, hoe zeg je dat? Vorige week hebben collega’s bij jullie ingegrepen bij een vechtpartijtje tussen twee kerels met een kort lontje. Zijn er onberekenbare personen bij jullie opgevallen; mensen die extra aandacht verdienen?”
Het gesprek duurt een paar minuten. Joost maakt aantekeningen op een schrijfblokje.
“Oké, bedankt. Houdt u me alstublieft op de hoogte.”
“Heb je het AZC gebeld?”
“Ja, zomaar een ingeving. Je moet toch wat?”
“En?”
“Een Syriër is gisteravond weggegaan en niet teruggekomen. Stille man, maakte weinig contact. Zijn vrouw is tijdens de oversteek over de Middellandse Zee ziek geworden en gestorven. Gisteren kreeg hij bericht op de vaste lijn uit zijn vaderland. Daarna is hij vertrokken. Ze proberen uit te vinden wie er gebeld heeft en waarom. Hij belt zet es em terug.”
“Mijn god!” Jaspers slaat zijn armen over elkaar en staart uit het raam. Joost leunt met zijn hoofd op zijn hand en volgt een goederentrein die voorbij knarst. Hij schrikt op van de schelle pieptonen. Na een minuut aandachtig luisteren legt Jaspers de hoorn neer en strijkt zijn stropdas glad.
“Die explosie”, begint hij. “Een verkeerd aangesloten gasfles van een viskraam. Twee lichtgewonden. En vier dooie haringen”, voegt hij er met een scheef lachje aan toe.

De klok tikt met stroop aan de wijzers. Vroeg in de middag meldt de expert van de AIVD zich, een jonge dertiger in een strak zwart pak die accentloos Nederlands spreekt. Joost en Jaspers worden door de korpschef verzocht deel te nemen aan een vergadering. Alle risicopunten in de stad worden zichtbaar gemaakt op de kaart en ze verdelen, in samenspraak met de marechaussee, extra blauw over Eindhoven. Tegen de avond verlaat Joost het hoofdbureau aan de Mathildelaan met meer spanning in zijn lijf dan een transformatorhuisje.

Met wallen onder zijn ogen na een slechte nacht sjokt Joost Machielsen het kantoor binnen.
Gapend wacht hij tot de computer is uitgereuteld en tikt dan zijn wachtwoord in. Met twee mokken in een hand sloft hij de gang in naar de koffieautomaat. Jaspers loopt hem tegemoet, zijn jack open, overhemd half uit zijn broek. Bemoedigend knikken ze naar elkaar.
“Geen oog dichtgedaan,” zucht Joost. Hij zet de dampende mokken neer en laat zich in zijn bureaustoel vallen. “Jolijn kwam om half vijf thuis; Pim een dik uur later. En dan kotst-ie ook nog een broodje shoarma uit tegen de wc-deur.” De mannen praten wat over de avond ervoor en wandelen dan samen naar de vergaderruimte, waar de dertiger in een strak grijs pak, de totempaal en twee mannen van de marechaussee op hen wachten.
Na anderhalf uur, als het plan van aanpak voor die dag is uitgetekend, klopt Eva op de deur en sluipt naar binnen.
“Iemand van het AZC heeft gebeld”, zegt ze zachtjes. “Ze zou alles op de mail zetten en naar u mailen, meneer Machielsen.”
“Nu?”
“Dat denk ik wel. Ik ben meteen naar u gelopen nadat ze belde.”
Joost loopt naar zijn kantoor met de andere mannen in een rij achter hem aan. Het duurt nog vijf minuten voordat de email in de inbox verschijnt. Al die tijd staat het gezelschap zwijgend naar het beeldscherm van Joost te kijken.

“Fuad El Idrissi”, herhaalt Joost. “Zo heet de verdwenen Syriër dus. Uit Aleppo gevlucht, meer dan een jaar hier in het AZC, vrouw dus omgekomen tijdens de vlucht, een zoon achtergelaten in Syrië.”
“Die drie dagen geleden omgekomen is bij een bombardement. Dat was het bericht dat hij kreeg”, vult Jaspers aan. Joost voelt de buik van zijn collega in het hoge tempo van diens ademhaling tegen de rugleuning van zijn stoel duwen.
“Kun je die naam naar dit adres mailen? Dan laat ik hem natrekken.” De AIVD’er legt een visitekaartje voor Joost op het bureau en loopt dan het kantoor uit. Joost wrijft met twee handen over zijn gezicht.
“Ah shit, ik heb frisse lucht nodig. Ik ga een rondje fietsen.” Vragend kijkt hij over zijn schouder omhoog naar de totempaal. Die knikt instemmend.

Hij trapt tegen de wind in op het barrel van zijn zoon, zijn jack fladdert als de cape van een stripheld. Zijn tocht is doelloos, langs het stadion, Strijp-S, Evoluon, langs de rondweg, Strijpsestraat. Hij snuift de koele lucht, die veel te fris is voor een zomermaand, om het piekeren uit zijn hoofd te spoelen. En dan denk ik aan Brabant, zingt Guus vanuit zijn broekzak. Joost stopt bij de kruising en neemt op.
“Hey, die vrouw van het AZC belde. Ze hebben ook een brief in het Arabisch gehad; met de post.”
“Vandaag pas?” Hij gaat op zijn bagagedrager zitten en staart naar de moskee aan de overkant.
“Ja, de postcode op de enveloppe klopte niet.” Jaspers hoest in de hoorn voor hij verder gaat. “Ze hebben het ingescand en gemaild. Ik krijg zojuist de vertaling binnen van die tolk. Ben je al in de buurt of zal ik het voorlezen?”
“Lees maar voor.”
“Oké.” Jaspers schraapt zijn keel.
“Tegen de tijd dat u mijn brief heeft gevonden en gelezen ben ik begonnen aan mijn reis naar het paradijs. Het wachten op erkenning, op een identiteit, heeft mijn ziel weggevreten. Nu de dood ook mijn laatste telg, mijn dierbare zoon heeft opgeëist, is mijn leven op aarde zinloos geworden. Ik heb de hemel gekust op het karkas van uw stad, ik heb nog eenmaal geknield voor Allah, opdat hij mijn ziel zal reinigen. Voor het oog van de statige Ridder en uw vreemde kerk zult u mij vinden.”
Joost luistert naar de tekst terwijl hij dwars door het gestripte Philipsgebouw kijkt aan de overkant. Als Jaspers klaar is blijft het stil op de lijn. Een grote bestelbus met een knorrende uitlaat schudt Joost wakker uit zijn overpeinzingen. Hij kijkt op naar het witte wrak als het langs de achterkant van de Steentjeskerk rijdt.
“Lees nog ’s Jaspers, die laatste zinnen.” Joost luistert en kijkt van de kerk naar het voormalige Philipspand. “Verdomme, ik bel je zo terug.” Hij springt weer op zijn zadel, laat een auto voorgaan en steekt over naar de Willemstraat. Daar slingert hij de stalen ketting door het frame om een lantaarnpaal en loopt de weg over, de Lichtstraat in. Bij de poort blijft hij staan. Hij staart door het karkas van het gebouw naar de vreemde kerk aan de overkant.
“Het karkas van de stad”, mompelt hij, zijn handen om de spijlen geklemd. Hij kijkt over zijn schouder naar het bruine gebouw achter hem. Zijn ogen blijven hangen op de woorden boven de ingang. In zilveren letters prijkt de naam van het appartementengebouw op de gevel: ‘De Ridder’. Dan kijkt hij weer naar het uitgeklede gebouw. Joost trekt aan de poort, begint dan het hek te volgen met zijn ogen op het karkas gericht. Halverwege de omheining tegenover het TAC blijft hij abrupt staan. Achter de struiken is het prikkeldraad op het hek ingezakt. Er hangt een versleten bruine leren jas overheen. Hij baant zich een weg naar het gaashek, zet zijn handen op de jas, schudt een keer flink om te testen en zet zich dan af. Hij duikelt ondersteboven over het hek, kan zich ternauwernood met zijn handen opvangen. Zonder zijn hoofd tegen de grond te stoten rolt hij met een koprol tussen het onkruid door de parkeerplaats op. Met twee handen slaat hij het vuil van zijn kleren. Nu hij zo dicht bij het gebouw staat, raast onrust door zijn lijf. Kippenvel prikt in zijn vlees en al zijn spieren lijken zich tegelijkertijd te spannen. Met dichtgeknepen vuisten begint hij rond het geraamte te lopen. Alleen de trappenhuizen zijn nog heel, bij de hoofdingang is een ruit ingegooid. Afval zwerft stilzwijgend tussen het onkruid, de ondergang van oude glorie is met graffiti gesigneerd. Op de hoek achter het voormalige Woonbedrijf kijkt Joost om naar de markante kerk aan de overzijde. Tot nu toe niets bijzonders. Zijn lichaam ontspant. Hij loopt verder, langs de achterkant en de vleugel die naar de stad wijst. Als hij de hoek om slaat verstijft hij. Zijn hart maakt vuistslagen tegen zijn ribbenkast. Joost knijpt zijn ogen dicht, haalt diep adem en pakt zijn telefoon. Hij kijkt nog een keer in de dode blik die naar het paradijs ergens boven hem staart en tikt dan op de naam van zijn collega in de belhistorie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.